terug naar homepage


 

 

 

 

HBO stageverslag

Fysiotherapie &

Levensmiddelentechnologie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ernst Boot en

Stephan Vermeire

 

mei 1997

 

Inleiding

 

 

 

 

Tijdens de opleiding tot eerste graads docent aan het ILO in Amsterdam bestaat de mogelijkheid om een cursus te volgen die voorbereidt op het lesgeven op het HBO. Onderdeel van deze cursus is een snuffelstage op HBO scholen. De volgende tekst is een verslag van een aantal dagen orientatie op twee HBO scholen, namelijk levensmiddelentechnologie aan het Van Hallinstituut in Leeuwarden en fysiotherapie aan de Hogeschool van Amsterdam.

Er waren een aantal onderzoeksvragen die wij tijdens de stage hebben onderzocht te weten:

Banen op het HBO

- Wat voor opleidingen hebben docenten gevolgd die een baan hebben op een HBO instelling?

- Wat voor soort banen bestaan er op het HBO?

Studieuitval

- Wat zijn de oorzaken dat studenten voortijdig de studie staken (studieuitval)?

- Wat doet een HBO instelling eraan om dergelijk studieuitval te voorkomen?

Onderwijs vernieuwing

- Welke vernieuwingen zijn er gaande op het gebied van de onderwijskunde (werkvormen e.d.)?

- Welke veranderingen zijn er gaande op het gebied van de organisatie op HBO instellingen?

In de discussie van dit verslag hebben we geprobeerd een samenhang te vinden tussen studieuitval, onderwijsvernieuwingen enerzijds, en de huidige budgetten van hoge scholen anderzijds.

 

 

Beschrijving van de stagescholen

 

 

 

 

De opleiding fysiotherapie is gelegen vlak achter het AMC. De opleiding staat bekend als een behoorlijk zware, en er is een numerus fixus. Op het gebied van de praktijk wordt met name het onderzoek als erg moeilijk ervaren, terwijl op het gebied van de theorie de neurologie erg lastig is.

Het aantal studenten bedraagt 700 over de gehele opleiding. In het gebouw hangt een gezellige sfeer tussen de studenten. Dit is voornamelijk het gevolg van de vaste kleine onderwijsgroepjes waardoor de studenten intensief met elkaar omgaan.

Afgestudeerden kunnen in principe terecht in particuliere praktijken, ziekenhuizen, revalidatiecentra, verpleeghuizen, bejaardenhuizen en psychiatrische inrichtingen. Er worden op dit moment echter meer mensen opgeleid dan dat er plaatsen zijn op de arbeidsmarkt. Een deel van de afgestudeerden vertrekt dan ook naar het buitenland.

Het Van Hall instituut in Leeuwarden is een onderwijsinstelling met in het totaal rond de 2000 studenten. Deze studenten zijn verdeeld over de studies levensmiddelentechnologie, diermanagement, milieukunde, agrarische bedrijfskunde, agrologistiek, landbouw/diergezondheidszorg, biotechnologie (ism de noordelijke hogeschool Leeuwarden) en de post HBO opleiding master of science in management. Ons onderzoek heeft zich geconcentreerd op de studie levensmiddelentechnologie. Deze studie wordt momenteel gevolgd door ongeveer 200 studenten.

Tot voor een jaar geleden was levensmiddelentechnologie gevestigd in Bolsward (de Zuivelschool), maar door een fusie met het HBO in Groningen en Leeuwarden is de studie ondergebracht in het Van Hallinstituut.

 

 

Wat voor soort baan op het HBO?

 

 

 

 

Om te onderzoeken wat de mogelijkheden voor ons op dit moment zijn als docent op het HBO les te geven, hebben we via interviews getracht te achterhalen hoe een baan op het HBO er precies uitziet. Erst echter, hebben we gekeken naar de opleidingen die de huidige HBO docenten gevolgd hebben alvorens zij op het HBO terecht kwamen.

Voorgeschiedenis docent

Dhr Roozen heeft gestudeerd aan de universiteit in Wageningen. Daarna heeft hij anderhalf jaar in het onderzoek gewerkt als vervangende dienstplicht. Dat deed hij aan het insituut. Vervolgens heeft hij anderhalve maand op de HAVO lesgegeven, hij heeft dan ook een onderwijsaantekening uit Wageningen.

De heer Oosterloo heeft in Wageningen aan de universiteit gestudeerd. Hij heeft een eerste graads bevoegdheid scheikunde. Na zijn afstuderen kwam hij direct terecht bij de Zuivelschool in Bolsward. De enige ervaring die hij heeft in het lesgeven op een middelbare school zijn 60 uur stage op een HAVO/atheneum school.

De heer Nauta heeft natuurkunde gestudeerd in Wageningen. Hij heeft enige tijd in het onderzoek gewerkt en heeft daarna een half jaar in het middelbaar onderwijs gewerkt. Momenteel geeft hij voornamelijk les in de onderbouw. De motivatie dat hij op het HBO les is gaan geven is voornamelijk te vinden in het feit dat he HBO zoveel vrijer is dan het middelbaar onderwijs. Je hebt niet te maken met landelijke exameneisen die bepalen wat er behandeld moet worden in de klas. Op de middelbare school is de stof daardoor wat droog. Op het HBO is de natuurkunde meer toegepast, de voorbeeldjes zijn minder droog.

Judith Kramer is practicum assistent en heeft levensmiddelentechnologie op het MBO gestudeerd. Zij is officieel practicum assistente voor het MBO. Het HBO en het MBO zitten echter in hetzelfde gebouw zodat zij nu ook wordt ingezet om practica op het HBO te begeleiden. Direct na haar opleiding is ze gaan werken op het Van Hall-instituut. Ze heeft hier een 90% baan.

Om samen te vatten, de meeste docenten op het van Hall instituut hebben een opleiding gevolgd aan de landbouwuniversitiet in Wageningen. Voor het krijgen van een baan als HBO docent is onderwijs ervaring niet het belangrijkste. Met name affiniteit met vak waar de student voor wordt opgeleid daarentegen is wel belangrijk. Uit de interviews bleek dat er behoefte is aan mensen uit het bedrijfsleven. De heer De Lange, die werkzaam is als assistent bij chemie practica zegt zelfs dat het heel goed zou zijn als docenten eerst een aantal jaar in het bedrijfsleven zouden werken voor zij in het HBO zouden lesgeven. Hij heeft zelf na het MLO eerst een aantal jaar in het bedrijfsleven gewerkt als analist.

Soorten banen op het HBO

Docenten

Allereerst werden twee docenten fysiotherapie geinterviewd. Allebei zijn ze naast docent ook fysiotheapeut! Beide docenten zijn part-timers. Een van hen vertelt een aanstelling van 19 uur te hebben. 90% van de werktijd bestaat uit onderwijstaken (dus: lesgeven).

Het komt ook voor dat een docent meerdere taken naast het lesgeven verzorgd. Een derde docent fysiotherapie had een aanstelling van 3.5 dagen per week. 2.5 dagen hiervan waren bij de afdeling fysiotherapie, 1 dag bij dietiek & voeding. Onder zijn werkzaamheden vallen: les geven/ scriptiebegeleiding/mentoraat/onderwijsprogramma maken.

Vooral dit laatste slokt heel veel tijd op. Je krijgt niet het aantal uren betaald dat je er aan bezig bent. Nieuwe curriculum wordt meer thematisch + PGO.

Het is wel leuk om te doen, nieuw onderwijs maken. Het is een creatief proces dat enige tijd nodig heeft.

De heer Nauta heeft een voltijd baan aan het Van Hall instituut. Bijna de helft van zijn taakuren worden gevuld met lesgeven. De rest van de tijd is hij bezig met begeleiding (bv. van afstudeerprojecten), het aflopen van vergaderingen. Verder is hij veel tijd kwijt met het ontwikkelen van een nieuwe studie route die een deel van de levensmiddelentechnologie en een deel management behelst. Tot slot coordineert de heer Nauta het module-aanbod. Over het algemeen is het zo dat je zelf je taken kiest op het HBO. Als er bij vergaderingen iets naar voren komt wat in je interessesfeer ligt kun je je daarmee bezig gaan houden. Als je beter bent in andere zaken dan lesgeven, kun je je daarmee bezig houden.

Buiten de vrijheid die je hebt heeft het HBO volgens de heer Nauta nog andere voordelen boven het middelbaar onderwijs, en dat is dat de groepen kleiner zijn. Volgens de heer Nauta werken er zo'n twintig docenten bij levensmiddelentechnologie, en er zijn zo'n 200 studenten. deeltijddocenten zijn voornamelijk mensen die ook bij een andere opleiding werkzaam zijn.

De heer Oosterloo geeft voornamelijk in de eindexamenklassen les. Hier geeft hij zowel theorie- als praktijklessen. Zijn practica spelen zich voornamelijk af in de proeffabriek. Een practicum ruimte waar allerlei apparatuur uit levensmiddelen producerende bedrijven aanwezig is. Op het moment geeft hij anderhalve dag per week les, maar in andere delen van het jaar is dat drie dagen per week. Je moet als docent 1710 uur per jaar lesgeven. In de praktijk komt het echter op neer dat de heer Oosterloo zo'n 1800 à 1900 uur per jaar aan zijn baan besteedt. Dit omdat een groot deel van zijn werkzaamheden bestaat uit het schrijven van lesmateriaal en dat gebeurt voor een groot deel thuis. Hij schrijft theorie, zowel voor colleges als voor de industrie. Er bestaan geen boeken op zijn vakgebied.

Een andere belangrijke activiteit is het begeleiden van betaalde afstudeerprojecten. Dit zijn projecten waarbij studenten in het bedrijfsleven een opdracht uitvoeren en waar de school dan voor betaald wordt. Voor de heer Oosterloo betekent dit dat hij nu en dan bij bedrijven langs moet en dat eens in de 14 dagen er studenten langskomen om met hem te praten over hoe het gaat. Over de opzet van het onderzoek, over literatuur en over de ervaringen. Verder moet hij contact onderhouden met de opdrachtgevers. Voor hem is het redelijk eenvoudig om afstudeerplaatsen te regelen bij bedrijven. Hij gaat al zo'n 20 jaar iedere week een keer op pad naar bedrijven waar inmiddels veel oud studenten werken. Verder geeft hij cursussen bij bedrijven. Hij begeleidt jaarlijks ongeveer 10 studenten bij het afstuderen.

Tot slot begeleidt de heer Oosterloo mensen met het doen van onderzoek op het van Hall instituut zelf, dat in opdracht is van bedrijven. Hiervoor loopt er één afgestudeerde rond. Tevens zijn er op dit moment twee studentes uit Frankrijk die les volgen en onderzoek doen op het Van Hall instituut. De begeleiding van deze meisjes is in handen van de heer Oosterloo.

De baan van de heer Roozen is een voltijds. Hij werkt als docent vleestechnologie, maar kwam binnen als docent zuivel en proceskunde. 80% van zijn tijd besteedt hij aan het verzorgen van onderwijs in de vleestechnologie en is hij daar ook aanspreekpunt. Hij gaat ook op bezoek bij stagiaires en moet de nieuwste ontwikkelingen op zijn vakgebied bijhouden. De heer Roozen is iets minder dan een dag per week uitgeleend aan het MBO. De leerlonderneming valt binnen zijn takenpakket. Verder is hij bezig met de ontwikkeling van een nieuw curriculum ("van zaadje tot karbonaadje"), dit is een samenwerking van verschillende faculteiten binnen het Van Hallinstituut. Tot slot is hij bezig met module hervorming: het aantal modules moet teruggebracht worden. De resterende 20% van de tijd is hij in de proceskunde bezig.

Het mooie van een baan aan het HBO is de vrijheid. Je hoeft je niet te houden aan eindtermen die je van boven zijn opgelegd. Je bent eigen baas. Maar het is moeilik om er als jonge docent tussen te komen. Oudere docenten bliijven zitten.

Ander personeel

Judith Kramer is practicum assistente. Naast het begeleiden van studenten maakt ze roosters, beheert ze het laboratorium en voert reparaties uit. Van haar tijd is zij 50% kwijt aan les en 50% aan beheer.

Zij heeft het zeer naar haar zin op het HBO. ALs je een keer in het onderwijs zit, wil je nergens anders meer werken. Volgens haar zij LMT studenten super gemotiveerd.

Rob Haacke is werkzaam om het HBO als coordinator van het propaedeuse.

Zijn taken bestaan uit het opvangen van klachten student/docent. Ook valt onder zijn verantwoording de afstemming van roosters/tentamens. Tot slot kunnen studenten uit het propaedeuse bij hem terecht met persoonlijke problemen. Rob Haacke lost deze dan zelf op of verwijst door.

De opleiding die Rob heeft gedaan is eerst de Academie voor lichamelijke opvoeding. Daarna is hij fysiotherapeut geworden.

Op de vraag: Kan je werkzaam zijn als bioloog bij fysiotherapie? Gaf hij als antwoord een volmondig ja!

Wilco van der Kooij is studentendecaan. Zijn taak is het begeleiden van studenten op de volgende onderwerpen: Aanmelding en inschrijving, studievoortgang, studiekeuze, studiefinanciering, wet en regelgeving, persoonlijke problemen en sexuele intimidatie. Wilco vertelde dat hij iedere vier jaar een nieuwe positie in het instituut probeert te krijgen. Dit is hem tot nu toe nog altijd gelukt.

Fred Mulder is afdelingsmanager van de fysiotherapie. Hij heeft beleidstaken op de volgende gebieden:

- Onderwijs personeel. (Bijvoorbeeld aannemen van nieuwe docenten etc).

- Innovatie (Doorvoeren van nieuwe ontwikkelingen op school, financieel/ideeen).

- Meerjarenplan (deze hogeschool is heel structureel. Plan => uitvoering => evaluatie).

- Activiteitenplan.

Uit de maatschappij en van regering komen zaken die veranderingen in de schoolstructuur behoeven. Deze items worden opgenomen in het activiteitenplan. Twee voorbeelden van agendapunten op het activiteiten plan zijn 'leren leren' en het invoeren van een verkorte opleiding voor mensen die de studie in minder dan de gebruikelijke tijd willen en kunnen afronden (Als het sneller kan, doe het dan).

 

 

 

conclusie:

Er zijn geen standaardbanen op het HBO. Een docent kan alleen maar, of vrijwel geen onderwijstaken verrichten. Als docent kan je in enige mate bijsturen wat voor soort baan je wil hebben. De meest voorkomende manier waarmee docenten hun baan zelf invullen is door het op zich nemen van bepaalde taken. Als je te weinig uren maakt per jaar loop je de kans minder salaris te krijgen, of taken toegeschoven te krijgen waar je niet om gevraagd hebt. Je kan overigens zelf een voorstel indienen voor je jaarlijkse 1659/1710 uren. Part time werken is erg goed mogelijk op het HBO, evenals doorstromen naar een hogere functie.

Het was opvallend dat bijna alle docenten fysiotherapie ook fysiotherapeut zijn (of zijn geweest). Ook op het van Hall instituut bleek een grote behoefte te zijn aan mensen uit het bedrijfsleven. Een baan op het HBO is dus goed te combineren met een baan in de beroepssector waar afgestudeerden aan deze opleiding terrecht zullen komen.

 

 

Uitvallers

 

 

 

 

Bij iedere opleiding zijn er wel studenten die niet het gehele programma afmaken en ergens onderweg afvallen. Dit is vervelend voor de student, die moet afhaken zonder een diploma gehaald te hebben en vervelend voor de opleiding, omdat een student zonder diploma duur is voor de school en niet bijdraagt aan een goede naam. Belangrijk is het daarom om vast te stellen wie er uitvallen en waarom dat gebeurt. En vervolgens wat de school doet om te voorkomen dat er studenten uitvallen.

Waardoor vallen studenten af?

Er zijn diverse redenen aanwijsbaar waardoor studenten voortijdig de studie beëindigen:

- Geen goed zicht op het beroep.

- De studie is te zwaar. (Dit kan zowel op theoretisch of practisch gebied zijn).

- De studie is niet interessant.

- Persoonlijke omstandigheden(een reden die steeds vaker wordt opgegeven).

Het aantal uitvallers bij LMT ligt laag in vergelijking met andere HBO opleidingen. Over de vier jaar waarvan wij gegevens kregen is er in de propedeuse gemiddeld 6.6% van de studenten afgevallen. Uit de hoofdfase zijn er geen officiële cijfers bekend, maar ons wordt verzekerd dat dat waarschijnlijk nihil zal zijn.

Jaar

Studiestakers propedeuse

studenten aantal

1986/1987

10

110

1987/1988

3

110

1988/1989

6

136

1989/1990

13

125

Twee studentes uit het tweede jaar vertelden dat van de 30 studenten die tegelijkertijd met hen zijn begonnen er ongeveer vier zijn afgevallen. Dat waren allen studenten die van de HAVO waren gekomen. Zij zijn naar het MBO gegaan of gaan werken. De reden voor het voortijdig staken van de studie was volgens de studentes dat de opleiding slecht aansluit op de HAVO. Dit is een probleem dat reeds in 1992 werd gesignaleerd in de voorlopige HBO-instroomprofielen: de basisvaardigheden die studenten nodig hebben voor een technische studie aan het HBO, namelijk taalvaardigheid (nederlands en vreemde talen), rekenvaardigheden, probleemoplossingsvaardigheden en sociaal communicatieve vaardigheden laten vaak te wensen over. Incidenteel wordt zelfs gesteld dat studenten deze vaardigheden in het geheel niet bezitten. Verder zijn studenten slecht voorbereid op de studiesituatie in het HBO. Men is niet gewend aan de grote hoeveelheid leerstof en het tempo. Hoofd- en bijzaken onderscheiden blijkt een probleem. Het ontbreekt de studenten aan de vereiste zelfstandigheid. Studenten blijken lesstof niet toe te kunnen passen. Het eerste jaar van de studie is vaak nog vrij cognitief, maar later in je studie kom je andere problemen tegen. Een student kiest in de eerste instantie voor de studie, maar een beeld van het beroep na de studie ontbreekt. Een belangrijk gevolg hiervan is dat er grote studie uitval is. De entree eisen voor het HBO zijn slecht geformuleerd. Hierdoor weet de HAVO-leerling niet genoeg over de moeilijkheidsgraad van de studie. Omgekeerd weet het HBO ook te weinig van de HAVO

Verder is LMT een zware studie. Scheikunde en wiskunde zijn absoluut nodig. Een zwakke HAVO-leerling heeft het moeilijk tijdens de studie. Maar voor een goede HAVist is het makkelijk. Vroeger moest een zwakke HAVO leerling eerst het tweede jaar van het MBO volgen om toegelaten te worden tot de studie, maar nu is men blij met iedere student. De studentendecaan van LMT bevestigt dat er vier studenten zijn uitgevallen en dat dat alle vier studenten zijn die van de HAVO kwamen. Ze is echter niet op de hoogte van alle uitvallers, omdat studenten die zich voor het nieuwe jaar niet opnieuw inschrijven niet met haar komen praten, zij spreekt slechts met studenten die halverwege het jaar afhaken.

Een veel gehoorde reden van studie staken op het van Hall is dat het te weinig met de handen werken is. Het is een vrij theoretische studie. Van de vier afvallers dit propedeusejaar gaven twee aan dat het te theoretisch is, één student vond de studie te zwaar en één deed liever iets met mensen.

Op de hogeschool van Amsterdam bleek het erg lastig om te achterhalen onder welke groep instromers het grootste afvallerspercentage voorkwam. Volgens Rob Haacke is onder de HAVO/MBO instroom het grootste afvallerspercentage, maar dit werd tegen gesproken door de decaan Wilco van der Kooij. Het is tenslotte vooral een practische studie. Uit een interview met studenten die van het VWO afkomstig zijn bleek dat deze groep zichzelf wel enig voordeel gaf tijdens de studie; een groot deel van de theorie was voor hen al bekend en de gymnasium leerlingen hebben minder moeite met het leren van latijnse namen.

Het grootste deel van de studenten valt af tijdens het eerste jaar van de studie.

Het voorkomen van afvallen tijdens de studie.

De organisatie van fysiotherapie heeft een zeer goed uitgedacht beleid op het gebied van afvallers. Allereerst is de structuur van de studie dusdanig dat er zeer vroegtijdig een selectie plaats vindt tussen studenten die wel of niet geschikt zijn voor de opleiding. Dat wil zeggen, er wordt naar gestreefd om studenten die het vak van fysiotherapeut eigenlijk helemaal niet leuk vinden, dit zo vroeg mogelijk te laten ontdekken. Dit heeft voor de student als voordeel dat hij geen tijd verdoet met de verkeerde opleiding, en voor de HBO instelling dat een grotere financiele strop bespaard blijft. Het instituut krijgt namelijk geld per afgestudeerde student. Als een student dus toch niet af gaat studeren dan wil je hem zo snel mogelijk kwijt zijn, het liefst tijdens de propedeuse. De propedeuse heeft dus eigenlijk drie functies:

- Oriëntatie voor de student. (Is deze opleiding geschikt voor mij?).

- Selectie (Afvallers vroegtijdig opsporen).

- Verwijzing (studie verkeerd? Wat dan wel? Met de decaan wordt gekeken naar de opleiding die iemand heeft, zijn persoonlijkheid en interessen. Vervolgens wordt besloten wat de persoon het beste kan gaan doen).

De streefcijfers voor afvallers tijdens het eerste jaar in vergelijking met afvallers tijdens de hoofdfase is ongeveer 75-80% in de propedeuse, en 20-25% tijdens de rest van de studie. De selectie wordt kracht bijgezet doordat de HBO instelling zichzelf het recht voorbehoudt om studenten een Bindend Adwijzend studie Advies (BAA) te kunnen geven. In de praktijk krijgt een student een BAA als in het eerste jaar minder dan 21 (van de 42) studiepunten behaald worden. Is na het tweede jaar het totaal van 42 studiepunten nog niet behaald dan volgt eveneens een BAA. Als studenten na een jaar 36 punten of meer hebben vergaard mogen ze aan vakken van het tweede jaar beginnen.

Een laatste middel om de selectie te bewerkstelligen is een landelijke regeling dat studenten die voor 1 februari stoppen geen problemen krijgen met de tempobeurs. De student krijgt dus geen rente dragende lening als hij stopt voor 1 februari. Deze regeling is dus een stimulans voor studenten die grote kans hebben de studie toch niet te halen, om op een vroeg tijdstip te stoppen met studeren.

De opleiding fysiotherapie is ook op andere gebieden actief om studieafvallers te voorkomen:

- Goede studiebegeleiding. Iedere student krijgt bij binnenkomst een 15 minuten durend intake gesprek. De achtergrond van de persoon wordt gechecked (bijv: 8 jaar HAVO terwijl de HAVO toch makkelijk gevonden wordt duidt waarschijnlijk op slechte dicipline bij de student). Na het eerste blok vindt weer een gesprek plaats. Eventueel wordt een test gedaan om de leerstijl van de betreffende student te achterhalen. Er zijn ook een aantal bijeenkomsten klassikaal. Iedere student heeft dus een mentor waar hij of zij zich tot kan wenden. Men kent de studenten goed. Een BAA geven zonder de student te kennen gebeurt dus niet!

- Klein docententeams in de propedeuse voor betere studiebegeleiding. Meer zicht op de studenten.

- Verbeterde samenhang in het onderwijs.

- Betere tentamenregeling (sneller kunnen herkansen in volgende moduleperiode).

In Leeuwarden is het percentage afvallers lager. Een reden die een aantal docenten en de decaan hiervoor aandragen is dat het een heel kleine studie is, met slechts zo'n 200 studenten en 20 docenten. Hierdoor kunnen de studenten goed persoonlijk begeleid en in de gaten gehouden worden. De docenten kennen veel studenten. Vaak van gezicht en soms ook van naam.

Docenten vertellen tevens dat de kleinschaligheid van de opleiding tot gevolg heeft dat er een apart sfeertje heerst waar de studenten zich prettig bij voelen. De groep studenten is hecht en in klassen heersen zeer sociale structuren. Studenten blijken voor hun stage graag in Leeuwarden te blijven. Het gevolg hiervan is dat het staken van je studie ook sociale consequenties heeft.

Een andere mogelijke reden voor het feit dat er zo weinig studie uitval is bij een toch als zeer technisch en moeilijk bekend staande studie is dat studenten blijkbaar goed weten waar zij aan beginnen. Het is een zeer specifieke studie, waar studenten zeer bewust aan beginnen. Hierdoor komen er gemotiveerde studenten binnen. Volgens Mieke Grossoo, decaan van het Van Hallinstituut hebben studenten inderdaad een duidelijk beeld van de studie levensmiddelentechnologie als zij binnenkomen in het eerste jaar. Dit krijgen ze op open dagen en meeloopdagen. Een meeloopdag is specifiek voor de opleiding levensmiddelentechnologie. Het is een dag waarop leerlingen van het MBO, HAVO en VWO een dag meestuderen met de studenten van LMT. Dit geeft een aardig beeld van de studie.

Dat studenten LMT zo bewust voor deze specifieke studie zouden kiezen wordt echter tegengesproken door de heer Roozema, docent. Er wordt ook wel gekozen omdat "iets met levensmiddelen wel leuk lijkt". En dan valt met name de scheikunde tegen.

Tenslotte wordt aangegeven dat het projectmatige onderwijs studenten ook aan de studie levensmiddelentechnologie bindt.

In het eerste jaar bijvoorbeeld is er de leeronderneming. Hiermee leren de studenten elkaar goed kennen, want ze moeten een boel klussen met elkaar klaren. Met projecten wordt geprobeerd studenten te pakken, hierdoor blijven ook studenten met een slecht advies hangen en halen het toch nog.

Als een student toch bij zijn mentor aangeeft de studie te willen staken wordt er eerst door de mentor met hem gesproken. De heer Roozen zal in sommige gevallen zelfs proberen om zo'n student vervroegd met stage te laten beginnen, zodat de student dan kan zien of het beroep hem toch wat lijkt. Kan dit niet, of werkt het niet, dan zal de mentor zo'n student doorsturen naar de decaan. Zij wil dan weten wat de reden is van de stop. En ze helpt de student eventueel met het vinden van mogelijkheden na het verlaten van de school. Hierbij moet de student eem formulier invullen waarop moet worden aangegeven welke factoren een rol hebben gespeeld bij de voortijdige beëindiging van de studie (zie bijlage 1).

 

Instroom

Bij levensmiddelentechnologie heerst momenteel een groter probleem dan het voortijdig staken van de studie door studenten. Dat is de te lage instroom van nieuwe studenten. Volgens de heer Roozen komt dat deels omdat de organisatie na de fusie slecht geregeld is. Door de fusie is die te log geworden. Lesroosters en cijfers worden te laat bekend. En er is te weinig flexibiliteit. In Bolsward kende iedereen elkaar en wist wat er nodig was en wat er mogelijk was. Nu zijn er echter drie opleidingen in één gebouw gekomen. Men wil dat docenten ook bij andere studierichtingen invallen met als gevolg dat de docenten de studenten niet meer zo goed kennen als in het verleden.

De decaan van de opleiding denkt daar echter heel anders over. Volgens haar heeft de fusie niets te maken met de geringer wordende belangstelling van scholieren voor de studie. Zij wijt het eerder aan de instelling van de tempobeurs. Hierdoor gaan leerlingen vaak eerder naar het MBO. Zij zijn bang dat ze het niet zullen halen en dan heb je tenminste een diploma. Je kunt dan altijd nog daarna naar het HBO. Daar LMT een heel exacte, technische studie is telt dit argument extra zwaar. Volgens mevrouw Grossoo worden bij alle studies de instroomaantallen lager. Behalve bij diermanagement. Dat is een nieuwe opleiding. Maar de verhuizing van de opleiding van Bolsward naar Leeuwarden heeft volgens haar geen invloed op het teruglopen van de instroom.

 

 

Ontwikkelingen binnen onderwijs?

 

 

 

 

1) Nieuwe onderwijsvormen

Op dit moment bestaan de lessen bij Fysiotherapie hoofdzakelijk uit praktijk onderdelen. Theorie wordt grotendeels thuis door de student bestudeerd. Uit het rooster van een 2e jaars student bleek dat ongeveer 70% praktijk lessen zijn en slechts 30% theorie. Het onderwijs is onderverdeeld in modulen als fysiologie, neurologie en stages.

Er wordt op dit moment echter hard gewerkt om het gehele curriculum te wijzigen. Men wil bij de opleiding fysiotherapie over gaan naar thematisch onderwijs. Het is de bedoeling dat 25% van alle lestijd aan een thema (een casus) gaat worden besteed. Een groep studenten gaat gedurende een week bezig met een zeer toepassingsgerichte taak die aan het eind van de week wordt afgerond in de vorm van een presentatie. 50% van het onderwijs zal gaan bestaan uit vaardigheden aanleren, en de overige 25% zal vakondersteunend onderwijs worden. Het nieuwe curriculum wordt met ingang van dit jaar of volgend jaar ingevoerd. Omdat de nieuwe onderwijs vormen ook allerlei praktische wijzigingen met zich meebrengen, zal het gebouw aangepast moeten worden. Er komen meerdere kleine lokalen in plaats van een beperkt aantal grote lokalen.

Ook binnen de studie levensmiddelentechnologie wordt er thematisch gewerkt. In het tweede jaar van de opleiding kunnen de studenten vrijwillig meedoen aan een landelijk project dat mini-onderneming heet. Dit doen zij in hun vrije tijd. Zij krijgen hier geen studiepunten voor. Het enige dat zij hiervoor krijgen is één compensatie punt. Dat wil zeggen dat zij een vijf in een zes mogen veranderen. Verder kan het de studenten bruikbare ervaring en een certificaat voor het cv opleveren. De motivatie om mee te doen, die in het verleden groot was, is de laatste tijd gedaald. De groter wordende studiedruk lijkt hier debet aan te zijn. Het bleek de schoolleiding dat het meedoen aan een mini-onderneming zo goed was voor de ervaring van de studenten (denk bv. aan vergadertechniek), dat sinds kort in het eerste jaar een dergelijk project is opgestart (de leeronderneming) waarin studenten ook een onderneming op moeten zetten. Dit gaat onder leiding van een docent en is een verplicht onderdeel van de propedeuse.

Een ander project voor eerstejaars studenten is dat een groep studenten een bedrijf volledig moet doorlichten, zonder dat zij het bedrijf mogen bezoeken of mensen van het bedrijf mogen spreken. Na enige tijd gaan de studenten dan naar het bedrijf toe en kijken in hoeverre hun analyse met de praktijk overeenkomt. En ze moeten bedenken wat er zou gebeuren als het bedrijf volledig zou gaan werken zoals zij het beschreven hebben. Dit gaat in groepen die onderling vergaderen onder toezicht van een docent. Deze werkwijze wordt verder gecompleteerd door ondersteunende colleges.

De practica in de eindexamenklassen vinden voornamelijk plaats in de proeffabriek. Dit is een grote practicumruimte waar allerlei apparatuur uit levensmiddelen producerende bedrijven aanwezig is.

Als afstudeeropdracht voeren studenten in het bedrijfsleven een opdracht uit waar de school dan voor betaald wordt. Voor de heer Oosterloo betekent dit dat hij nu en dan bij bedrijven langs moet en dat eens in de 14 dagen er studenten langskomen om met hem te praten over hoe het gaat. Over de opzet van het onderzoek, over literatuur en over de ervaringen. Verder moet hij contact onderhouden met de opdrachtgevers. Voor hem is het redelijk eenvoudig om afstudeerplaatsen te regelen bij bedrijven. Hij gaat al zo'n 20 jaar iedere week een keer op pad naar bedrijven. Verder geeft hij cursussen bij bedrijven en werken er een boel oud-studenten bij bedrijven. Hij begeleidt jaarlijks ongeveer 10 studenten bij het afstuderen.

2) andere ontwikkelingen zoals fusies

Organisatorisch is er de afgelopen jaren het een en ander gebeurd op het HBO in Amsterdam. Onder invloed van de overheid waren in de afgelopen jaren al een aantal fusies doorgevoerd. Aanvankelijk waren er drie HBO fysiotherapie opleidingen van in totaal 1800 studenten. dit is nu terug gebracht naar één opleiding van 700 studenten.

De komende jaren wordt er nog meer ingekrompen, ditmaal in de organisatiestructuur van de opleiding zelf. Op het moment bestaat deze structuur uit drie lagen, te weten: college van bestuur/ faculteitsnivo/ afdelingen. In de toekomst zal de middenlaag verdwijnen. Het wordt dan: College van bestuur/ instituten. Ieder instituut krijgt zijn eigen instituutsmanager die vergelijkbaar is met de afdelingsmanager van nu.

Ook in Friesland is het nodige gebeurd. De studie levensmiddelentechnologie is overgebracht van de Zuivelschool in Bolsward naar het Van Hallinstituut in Leeuwarden. Met alle gevolgen van dien: de groepen worden groter, waardoor de aparte sfeer dreigt te verdwijnen. De organisatie is groter en logger reworden, zodat de organisatie en het docerend personeel elkaar niet meer kennen. De docenten gaan nu op verschillende faculteiten doceren zodat zij de studenten niet meer zo goed leren kennen en de persoonlijke begeleiding dus minder goed wordt.

Conclusie

Bij levensmiddelentechnologie is het uitval halverwege de studie niet groot. Er wordt aangegeven dat dit vooral komt doordat de studie klein is, hierdoor heerst er een aparte sfeer en is de persoonlijke begeleiding van de studenten goed ontwikkeld. Het is echter de vraag of dit in de toekomst zo kan blijven bestaan nu door de fusie de school is opgenomen in een enorm complex van opleidingen. Verder doet levensmiddelentechnologie er zo veel mogelijk aan om toekomstige studenten duidelijk te maken waar zij aan beginnen, door ze onder meer een dag mee te laten studeren met studenten.

Bij fysiotherapie wordt, net als op het van Hall, erg veel aandacht besteed met als doel studieuitval te voorkomen. Eenerzijds gebeurt dit door een streng selecterende propedeuse, anderzijds wordt er veel aandacht besteedt aan het begeleiden van de student.

 

 

Discussie:

 

 

 

 

Een van de eerste vragen die wij ons hadden gesteld om uit te zoeken was of een baan op het HBO voor ons is weggelegd, en hoe deze er uit zou zien. overeen aantal kernzaken waren wij het zeker eens. Allereerst waren we beiden niet zo te spreken over het aantal contacturen dat je met de student hebt. In andere woorden, een baan op het HBO betekent vaak een beperkt aantal uur daadwerkelijk lesgeven. De mogelijkheid om een baan te vinden op het HBO moet er zeker zijn. Gezien de eerdere conclusie dat er een grote behoefte is aan docenten met ervaring op het vakgebied waar de opleiding tot opleidt, zou het voor de hand liggen om les te gaan geven op een lerarenopleiding. Eventueel zou het natuurlijk ook kunnen om vakondersteunende lessen te verzorgen op een andere opleiding. We zijn beiden van mening dat een, over het algemeen, wat rustigere baan op een HBO instelling een goed vervolg zou zijn op de loopbaan van docent op een middelbare school.

Tijdens de stage is het ons opgevallen dat het financiele beleid van een HBO instelling verre gaande gevolgen heeft voor de stuctuur van de instelling, en de invulling van het curriculum. Om een instelling rendabel te houden is het noodzakelijk de uitval van studenten, zeker laat in de studie, zoveel mogelijk te beperken. Dit is echter in tegenspraak met een aantal bezuinigende maatregels die er voor gaan zorgen dat het aantal contact uren met de student drastisch beperkt zullen gaan worden; uit diverse gesprekken kwam naar voren dat de goede groepssfeer een motiverende factor is om de studie niet te staken. Deze contradictie zou eventueel opgelost kunnen worden door studenten in kleine groepen samen te laten werken, terwijl het aantal contacturen van de groep met een docent beperkt blijft. Een ander punt dat echter minder makkelijk kan worden opgelost is de invloed van de grootschaligheid van het instituut op de groepssfeer. Vanuit financiele belangen worden opleidingen steeds vaker in grote overkoepelende instituten samengevoegd. Dit zou resulteren in een minder gezellige groepssfeer, en dus een hogere studieuitval.

Het is gebleken dat de financiele consequenties voor de student zelf de laatste jaren steeds groter zijn geworden indien deze besluit de opleiding niet af te maken. ALs student is het tegenwoordig zo dat je, net als anderen in deze samenleving, MOET presteren om in aanmerking te komen van studiefinanciering. Anderzijds is het opvallend te zien dat een student tegenwoordig ook meer mag eisen van een opleiding. Dit vloeit voort uit het feit dat de student meer als 'klant' wordt gezien dan als 'leerling'. Stel dat een student er voor kiest een opleiding op HBO nivo te gaan volgen dan verwacht deze in vier jaar tijd in staat te zijn zelfstandig een bepaald beroep te kunnen uitoefenen. De curriculi van opleidingen zelf verschuift dan ook steeds meer in deze richting. Overbodige 'weet' kennis wordt niet meer behandeld, terwijl er steeds meer tijd wordt besteed aan de practische kant van het beroep.

Tot slot zien wij een bedreiging voor het HBO die eveneens op universiteiten is waargenomen. Zoals boven werd beschreven is het ongunstig voor een opleiding als studenten (laat) tijdens de studie uitvallen. Een van de genoemde redenen voor het staken van de studie is dat de opleioding te moeilijk zou zijn. Aangezien de eindtermen voor HBO opleidingen niet vast liggen, zou de verleiding groot kunnen zijn het onderwijs makkelijker te maken. Op lange termein zou dit de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede komen.

Uit rapporten1 is gebleken dat de HAVO slecht aansluit op het HBO. Wij hebben tijdens onze stage waargenomen dat het grootste gedeelte van de uitvallers van de HAVO afkomstig is. Het lijkt er op dat voor de middelbare scholen nog een belangrijke taak is weggelegd in de voorbereiding van de leerlingen op het vervolg onderwijs. Wij zijn benieuwd wat de veranderingen na de nvoering van de tweede fase op dit gebied zullen zijn.

 

 

 

Literatuur:

F. Boei, MJE. Verhoeven: Voorlopige HBO-instroomprofielen. Leiden, Licor, juli 1992.

Bijlage 1: Verzoek tot beëindiging inschrijving Van Hallinstituut.