terug naar homepage


 

Inhoudsopgave:

 

 

 

 

Inleiding 2

 

 

 

Hoofdstuk 1:

Geprogrammeerde en ongeprogrammeerde celdood 3

 

 

 

Hoofdstuk 2:

Het immuunsysteem 5

 

 

 

Hoofdstuk 3:

Apoptose in het immuunsysteem 8

Genen en genproducten betrokken bij apoptose 9

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding:

Soms kan je in de natuur verschijnsels tegen komen die op het eerste gezicht wat tegenstrijdig lijken, terwijl als je iets verder kijkt er een duidelijk verklaring voor is te vinden. Suïcidaal gedrag bij dieren is hiervan een goed voorbeeld. Binnen een mieren kolonie kunnen bepaalde individuele mieren (de soldaten) soms dieren aanvallen die aanzienlijk veel groter en sterker zijn dan zijzelf. Als je iets verder kijkt wordt het doel van dit gedrag snel duidelijk. Alhoewel de individuele mier tijdens de aanval best zijn leven kan verliezen is er voor de gehele kolonie wel degelijk nut. De aanvaller wordt even bezig gehouden en in die tijd kan er alarm geslagen worden zodat een groot aantal soldaten ter plaatsen kunnen komen en kunnen afrekenen met de indringer.

Een vergelijkbaar fenomeen dat voorkomt binnen de structuur van een organisme heeft onlangs veel aandacht opgeeist van een groot aantal wetenschappers. Het gaat hier om geprogrammeerde celdood (of ook wel apoptose genoemd). In tegenstelling tot andere vormen van celdood is geprogrammeerde celdood een proces dat uiteindelijk voor het gehele organisme grote voordelen biedt. Dit gaat echter ten koste van individuele cellen. Het is onlangs duidelijk geworden dat de dood van deze cellen zeer nauwkeurig gereguleerd wordt door het lichaam. Hierbij is tevens duidelijk geworden dat als deze regulatie onjuist verloopt, er grote consequenties aan verbonden zijn. Een groot aantal ziektes blijkt het gevolg te zijn van fouten in de regulatie van geprogrammeerde celdood.

In dit verslag zal de rol van geprogrammeerde celdood binnen het immuun systeem nader onder de loep genomen worden. Allereerst zullen enkele aspecten van het immuunsysteem aan bod komen zoals de verschillende vormen van afweer (humoraal/cellulair) en het proces dat leidt tot de productie van antilichamen. Vervolgens zal worden gekeken naar de rol van apoptose binnen deze processen. Tot slot zullen enkele genen en genproducten worden bekeken die de laatste jaren zijn ontdekt en waarvan men denkt dat deze een belangrijke rol spelen in geprogrammeerde celdood.

 

Hoofdstuk 1:

 

 

Geprogrammeerde en ongeprogrammeerde celdood:

Er bestaan twee verschillende vormen van celdood die beiden een eigen karakter hebben. De eerste vorm van celdood is het gevolg van een beschadiging van het lichaamsweefsel waardoor een grote groep cellen tegelijk afsterft. De beschadiging verstoort als het ware het evenwicht in de cellen zodanig dat deze niet meer levensvatbaar zijn. Deze vorm van celdood wordt ook wel necrose genoemd en is door het lichaam niet gepland.

De tweede vorm van afsterving is een geprogrammeerde vorm van celdood, die ook wel apoptose wordt genoemd. Een principieel verschil met necrose is dat deze vorm van celdood wel gepland is. Als cellen sterven via geprogrammeerde celdood dan heeft dit een functie voor het gehele lichaam.

Er zijn verschillende plaatsen aan te wijzen waar geprogrammeerde celdood een belangrijke rol speelt in het menselijk lichaam. Allereerst zou de gehele menselijke embryonale ontwikkeling van eencellige zygote tot volledig organisme niet mogelijk zijn zonder apoptose. In de ontwikkeling in het embryo hebben een groot aantal cellen al heel vroeg een signaal gekregen dat bepaalt tot wat voor soort orgaan of specialisatie de cel zich zal differentieren. Tijdens de embryonale ontwikkeling is er soms ruimte nodig voor de ontwikkeling van een bepaald orgaan, maar wordt deze ruimte in beslag genomen door andere cellen. In dit geval kan door geprogrammeerde cel dood een signaal worden gegeven aan de cellen die in de weg liggen om af te sterven. Hierdoor zal dus ruimte vrij gemaakt worden voor de andere cellen. Dit verschijnsel is onder andere gevonden bij de ontwikkeling van zenuwen die als het ware hun baan door het lichaam groeien. Een tweede voorbeeld is te vinden tijdens de embryonale ontwikkeling van onze handen. Zonder apoptose zouden we tussen onze vingers een soort zwemvliezen hebben zoals die bij kikkers is te vinden! Het is berekend dat als er geen apoptose tijdens de embryonale ontwikkeling zou optreden het gewicht van de mens dan zou uitkomen op meer dan duizend kilo!

Ook na de embryonale ontwikkeling komt apoptose veelvuldig voor. De functie is het opruimen van enerzijds cellen die voor het lichaam geen functie meer hebben, maar ook cellen die zelfs een gevaar vormen voor het lichaam. Een voorbeeld hiervan is te vinden in het immuunsysteem waarbij cellen die lichaams eigen stoffen herkennen, en dus een afweer reactie tegen het eigen lichaam opwekken, via apoptose een commando krijgen om af te sterven. Op dit onderwerp zal later nog wat dieper in worden gegaan.

Behalve het verschil in functie tussen geprogrammeerde en ongeprogrammeerde celdood zijn er ook een aantal uiterlijke kenmerken van de stervende cellen te onderscheiden. Globaal bekeken komt het er op neer dat apoptose een hele nette manier van celdood is die in vergelijking tot ongeprogrammeerde celdood weinig afval in het omliggende weefsel achter laat. Dit is niet zo verwonderlijk, want als het lichaam niet een nette manier van opruimen zou gebruiken dan zou het omliggende weefsel door de vrijkomende afvalproducten flink ontregeld kunnen raken. In de cel zitten bijvoorbeeld een aantal enzymen die de andere cellen zou kunnen afbreken. Ook zouden er stoffen kunnen vrijkomen die andere cellen een ongewenst signaal geven. Meestal veroorzaken de afvalstoffen namelijk een ontstekings reactie wat vaak gepaard gaat met nog meer weefsel schade. Door een wat nettere manier van celdood bespaart het lichaam dus veel problemen met opruimen. Als het uiterlijk (of morfologie) van de stervende cel wordt bekeken is te zien dat er een aantal duidelijke verschillen waarneembaar zijn tussen apoptose en necrose. Bij apoptose wordt de cel steeds kleiner doordat er vele blaasjes (of vesicles ) worden afgescheiden. Deze blaasjes bevatten niet alleen cytoplasma van de cel, maar ook cel organellen zoals mithochondria. De vesicles kunnen makkelijk worden opgeruimd door macrophagen die de blaasjes fagocyteren zonder dat daarbij de inhoud van de blaasjes vrijkomt. Op deze manier heeft het omliggende weefsel dus weinig schade van de celdood. Necrose daarentegen induceert wel een ontstekings reactie. Dit komt voornamelijk doordat deze cellen veel minder gecontroleerd afsterven. In plaats van in mooie blaasjes op te splitsen zwelt de cel op als een ballon. Tijdens het opzwellen is ook te zien dat een aantal cel organellen, zoals de kern en de mithochondria, groter worden. Op een gegeven moment breekt de necrotische cel open. Hierbij komt de gehele celinhoud vrij in het omliggende weefsel. Onder de microscoop is de necrotische cel makkelijk te onderscheiden van een apoptotische cel; de eerste wordt groter terwijl de ander juist kleiner wordt.

Een ander punt waarin necrose zich van apoptose onderscheidt is de manier waarop het DNA van de celkern wordt afgebroken. In een normale levende cel is het DNA op een gestructureerde wijze gevouwen met behulp van bepaalde eiwit complexen die nucleosomen worden genoemd. Bij Apoptose wordt het DNA door enzymen willekeurig geknipt op plaatsen tussen de nucleosoom complexen. Aangezien een nucleosoom ongeveer 200 baseparen oprolt, levert dit een aantal korte DNA fragmenten op van achtereenvolgens 200, 400 en in mindere mate 600 en 800 baseparen. Op een agarose gel waar DNA op lengte kan worden gescheiden, is dit zichtbaar als een soort ladder patroon. Bij necrose daarentegen vindt een veel minder gestructureerde afbraak van het DNA plaats; door afbraak enzymen worden eerst de histonen opgeruimd waarna op willekeurige plaatsen het DNA in stukken wordt geknipt door knip-enzymen. Hierdoor ontstaat een grote variatie in lengte. Op een agarose gel is dit te zien als een smeer van DNA waarin geen afzonderlijke banden kunnen worden onderscheiden.

 

 

Hoofdstuk 2:

 

Het immuunsysteem:

Zoals we gezien hebben komt apoptose voor op veel plaatsen in het lichaam. In dit hoofdstuk zullen een aantal basale dingen over het immuunsysteem worden uitgelegd waarna vervolgens dieper zal worden ingegaan op de rol van apoptose binnen het immuunsysteem in de volgende hoofdstuk.

Allereerst kan worden afgevraagd waarvoor de mens eigenlijk een immuunsysteem heeft. Het immuunsysteem zou gedefinieërd kunnen worden als dat deel van het lichaam dat zich bezig houdt met de verdediging tegen lichaamsvreemde stoffen zoals ziekteverwekkers. Op het eerste gezicht lijkt het misschien dat het immuunsysteem een secundaire functie inneemt in vergelijking met andere structuren in het lichaam zoals het hart, de maag, en de nieren. Dit denkbeeld komt waarschijnlijk doordat men de functie van het immuunsysteem niet merkt als alles goed werkt! Hooguit bij een verkoudheid staat men er soms pas bij stil dat er voortdurend allerlei micro-organismen aanwezig zijn die continu een potentiele bedreiging vormen voor de gezondheid. Als wordt stilgestaan bij het feit dat in iedere vierkante centimeter lucht al vele micro-organismen rondzweven, dan wordt misschien duidelijk hoe belangrijk het moet zijn een goed afweer systeem in het lichaam te hebben. De functie van het immuunsysteem wordt overigens ook duidelijk in patiënten die aan een bepaalde ziekte lijden en die als gevolg daarvan een verzwakt immuunsysteem hebben. De ziekte Severe Combined Immune Deficiency (SCID) kenmerkt zich dat patiënten aan de meest simpele infectie kunnen overlijden, doordat het immuunsysteem geen goede afweer biedt. SCID patiënten worden dan ook vaak in een volledig steriele (dus micro-organisme vrije) omgeving gehouden zodat ze maar niet geïnfecteerd kunnen raken. Een andere ziekte waarbij patiënten kunnen overlijden aan een niet goed werkend immuunsysteem is AIDS (Acuired Immuno Deficienty Syndrome ). Hierbij is eigenlijk alleen het aantal cellen van één celtype in het immuunsysteem verlaagd. Als wordt nagegaan dat het heel goed mogelijk is te leven zonder een maag of bijvoorbeeld met maar één nier, dan wordt het belang van een goed werkend afweer systeem wel duidelijk.

De verdediging van het immuunsysteem valt onder te verdelen in twee soorten; humorale en adaptieve immuniteit. Onder humorale immuniteit verstaan we het aangeboren afweer mechanisme. Adaptieve immuniteit is dat deel van verdediging tegen lichaamsvreemde stoffen dat tijdens je leven wordt ontwikkeld.

De humorale immuniteit is in een vroeg stadium al aanwezig. Direct na de geboorte heeft het lichaam verschillende mechanismen om infecties te voorkomen. Een heel simpel voorbeeld is de huid die ondoorlaatbaar is voor bacteriën. Alleen als er door beschadiging een wondje optreedt kunnen bacteriën het lichaam binnen dringen.

Een andere plaats waar bacteriën a-specifiek worden opgeruimd is bijvoorbeeld in het maag darm kanaal. Als het eten is doorgeslikt zullen eerst in de maag door middel van zuur de meeste bacteriën dood worden gemaakt.

Behalve de boven genoemde voorbeelden op weefsel niveau zijn er ook een aantal aangeboren verdedigings mechanismen op cel niveau aan te wijzen. Voorbeelden hiervan zijn monocyten en macrophagen die als functie hebben via fagocytose verschillende micro-organismen op te ruimen.

Tot slot zijn er ook op moleculair niveau een aantal stoffen aan te wijzen die a-specifiek helpen het lichaam te verdedigen: Lysozym is een enzym dat in de oogvloeistof voorkomt en de celwand van bacteriën afbreekt. Verder is er een reeks van eiwitten, genaamd het complement systeem, dat op verschillende manieren het immuunsysteem ondersteunen. Het complement systeem is instaat (net als lysozym) de celwand van veel bacteriën soorten op te lossen. Verder binden een aantal complement eiwitten op de micro-organismen, waardoor ze makkelijker gefagocyteerd kunnen worden door monocyten en macrofagen. (Dit proces heet opsonisatie ). Bepaalde complement eiwitten zorgen overigens ook voor de aantrekking van fagocyten naar geïnfecteerde weefsel gebieden.

Soms weten micro-organismen toch in ons lichaam binnen te komen en het humorale immuun gedeelte te omzeilen. In dit geval wordt de tweede vorm van afweer ingeschakeld, de adaptieve immuniteit. Deze vorm wordt gekenmerkt door het vermogen waarmee de verdediging specifiek wordt aanpast aan de infectie. Een belangrijke rol bij deze vorm van verdediging wordt ingenomen door eiwitten die door het immuun systeem gemaakt worden en specifiek één micro-organisme herkennen. Deze eiwitten worden antilichamen genoemd. Antilichamen zijn te herkennen aan de bijzondere vorm die ze hebben zoals is te zien in figuur 2; Het eiwit lijkt een beetje op een katapult. De twee punten van de katapult zijn de gebieden die daadwerkelijk aan het micro-organisme blijven plakken. Het handvat van de katapult wordt ook wel de staart genoemd. Ieder antilichaam herkent en bindt dus specifiek aan één micro-organisme, of eigenlijk aan één eiwit van een micro-organisme. Eiwitten die herkend worden door een bepaald antilichaam worden antigenen genoemd. Een antilichaam geproduceerd door het immuunsysteem bindt dus aan een antigeen , een bepaald eiwit, van het micro-organisme.

Antilichamen kunnen op verschillende manieren micro-organismen uitschakelen. Als het micro-organisme erg klein is, zoals een virus, dan wordt deze vaak alleen door de binding van het antilichaam al onschadelijk gemaakt. Aangezien ieder antilichaam twee domeinen heeft (de punten van de katapult) die ieder een antigeen kunnen binden, gebeurt het ook vaak dat meerdere organismen tegelijk gebonden worden. Soms ontstaan op deze manier grote complexen of aggregaten, die bestaan uit antilichamen en onschadelijk gemaakte micro-organismen. Deze aggregaten kunnen vervolgens snel door fagocyterende cellen opgeruimd worden.

Er zijn drie celtypen die een belangrijke rol spelen bij de productie van antilichamen, namelijk Antigeen Presenterende Cellen (APC's), T-helper cellen (TH-cellen) en B-cellen.. In figuur 3 is schematisch weergegeven hoe de cellen samenwerken en antilichamen kunnen produceren. Antigeen presenterende cellen zijn alle cellen die in staat zijn het micro-organisme via fagocytose op te eten, en het vervolgens te presenteren aan de TH en B cellen. De APC fagocyteert het antigeen eerst, en binnen in de cel wordt dit verteerd zodat er alleen nog kleine stukjes over zijn. Deze stukjes worden vervolgens op een receptor molecuul op de membraan van de cel gepresenteerd. Doordat het antigeen aan de buitenkant van de cel zit is het mogelijk voor zowel de TH cel als de B-cel om dicht in de buurt te komen van het antigeen. In dit stadium bevinden zich rond de APC een aantal pre-B cellen, die allemaal de potentie hebben een B-cel te worden. Alle pre-B cellen hebben op hun membraan één bepaald antilichaam dat bij alle cellen anders is. Dit betekent dus ook dat alle antilichamen in principe een ander antigeen binden. Als er nu op een van de pre-B cellen een antilichaam zit dat het antigeen op de APC herkent, dan is deze pre-B cel in staat te binden aan de APC. Door het cel-cel contact tussen de pre-B cel en de APC zal de eerste een signaal krijgen waardoor deze zich verder gaat delen. Op deze manier groeien er dus een groot aantal B-cellen uit die allemaal één soort antilichamen gaan produceren tegen het gewenste antigeen. Het principe waarmee één B cel wordt geselecteerd uit te groeien tot een groot aantal cellen heet clonale selectie (zie figuur 4).

Tijdens het proces waarbij de pre-B cel bindt aan de APC moet echter nog een tweede signaal gegeven worden om de B cel uit te kunnen laten groeien, en dit wordt gegeven door de TH cel. Via hetzelfde principe van clonale selectie zoals we dat hebben gezien bij de B cel, wordt ook een TH cel geselecteerd. De TH cel heeft echter geen antilichaam, maar een bepaald membraan molecuul dat aan het antigeen op de APC kan binden. Als dit membraan molecuul "past" dan bindt de Th cel en wordt geactiveerd. De T-cel scheidt vervolgens een signaalstof uit, die Interleukine 2 (IL-2) wordt genoemd. IL-2 is instaat het tweede signaal te geven aan de B-cel dat deze nodig heeft om verder te kunnen delen. Door de nauwe samenwerking van de verschillende cel types kunnen er uiteindelijk dus de juiste antilichamen worden geproduceerd.

 

Hoofdstuk 3:

 

Apoptose in het immuun systeem:

Zoals eerder is laten zien worden via apoptose cellen uitgeschakeld die voor het lichaam overbodig of zelfs nadelig zijn. Ook binnen het immuunsysteem komen zulke cellen voor. Een aantal goede voorbeelden zijn te vinden bij de eerder besproken productie van antilichamen.

Allereerst is apoptose te vinden bij het uitschakelen van autoreactieve T- en B-cellen. Zoals eerder gezegd zijn er in een vroeg stadium een groot aantal cellen aanwezig die ieder hun eigen antigeen herkennen via het membraangebonden antilichaam (B-cellen) ofwel de receptor op de T-cel. De herkenning is volledig willekeurig. Een pasgeboren mens heeft ook een aantal cellen er tussen zitten die binden aan een molecuul dat al in het lichaam voor komt. (Immers, een groot deel van ons lichaam is opgebouwd uit eiwitten. Dit worden lichaams-eigen eiwitten genoemd.) Als een dergelijke cel in een later stadium via clonale selectie antilichamen gaat produceren, dan wordt er een afweer reactie tegen het lichaam zelf opgewekt, waarbij de patiënt dan ernstig ziek kan worden. Deze cellen worden auto reactieve cellen genoemd (een afweer reactie tegen de mens zelf). De auto reactieve cellen worden normaal in een vroeg stadium uitgeschakeld en dit gebeurt via apoptose.

Een ander voorbeeld waarbij apoptose een rol speelt in het immuunsysteem is bij het verwijderen van overbodige cellen. Als tegen een bepaald antigeen een afweer reactie op gang is gekomen dan zullen er op een gegeven moment een groot aantal antilichaam vormende B-cellen zijn. Na enkele dagen is door de overvloedige antilichaam productie de ziekte verwekker uitgeschakeld. Vanaf dat moment zijn er dus een groot aantal cellen die overbodig zijn geworden. Enerzijds zullen deze cellen niet meer verder moeten delen, en anderzijds is het zelfs handig als ze na verloop van tijd afsterven. Hierbij speelt zowel celgroei regulatie als apoptose een belangrijke rol.

Verder is duidelijk geworden dat apoptose betrokken is bij het opruimen van beschadigde cellen. Dit bleek uit experimenten waarbij cellen bestraald werden. Tijdens de bestraling treedt voornamelijk DNA beschadigd op waardoor de cellen niet meer kunnen functioneren. De cellen gingen over tot spontane apoptose. Het voordeel van apoptose in deze situatie is niet alleen dat beschadigde cellen (die nutteloos zijn voor het lichaam) worden opgeruimd, een minstens zo belangrijke reden is dat op deze manier toekomstige kanker cellen vroegtijdig worden verwijderd. Overigens is bij een aantal kanker cel types (zonder overmatige bestraling) spontane apoptose waargenomen.

 

 

 

Genen en genproducten betrokken bij apoptose:

Voordat verder wordt ingegaan op specifieke genproducten die betrokken zijn in apoptose moet benadrukt worden dat dit onderzoeks veld nog erg jong is. Kort gezegd komt het er op neer dat er meer onbeantwoorde vragen zijn dan dat er duidelijke mechanismen bekend zijn. Desalniettemin is het leuk om toch een nadere kijk te nemen in dit onderzoeksgebied. Ten eerste illustreert het duidelijk dat in modern wetenschappelijk onderzoek men altijd werkt op de grens van wat bekend is en wat nog onbekend is. In de tweede plaats is de nu verkregen kennis over apoptose in de toekomst waarschijnlijk een zeer belangrijk aanknopingspunt voor nieuwe geneesmiddelen en therapieën in allerlei ziekten. Al met al is het dus de moeite waard eens verder te kijken.

Het eerste eiwit dat betrokken lijkt te zijn bij apoptose is een transmembraan molecuul dat APO-1 wordt genoemd. Zoals eerder al bij T-helper cel activatie gezien is, kunnen sommige membraanmoleculen een signaal naar de binnenkant van de cel doorgeven als er buiten een molecuul aan bindt. (Een molecuul dat specifiek aan een receptor bindt wordt ligant genoemd). In het geval van APO-1 lijkt het er op dat binding van de ligant een signaal geeft dat apoptose induceert. In experimenteel onderzoek zijn hiervoor een aantal bewijzen gevonden. Het is mogelijk om in vitro (in de reageerbuis) antilichamen te maken die specifiek APO-1 herkennen. Uit eerder onderzoek in gebleken dat deze antilichamen net als het ligant in staat zijn een signaal naar de binnenkant van de cel te induceren. Het is ontdekt dat antilichamen tegen APO-1 een signaal wisten te induceren hadden dat spontaan apoptose ten gevolge had.

Ander bewijs voor de rol van APO-1 in apoptose is afkomstig van onderzoek met muizen. De mutant muizenstam lrp heeft een mutatie in het APO-1 gen zodat er geen functionele APO-1 moleculen tot expressie kunnen worden gebracht. Deze muizen ontwikkelden spoedig auto-reactieve B-cellen (die auto-reactieve antilichamen produceren). Een aantal muizen vertoonde na enige tijd symptomen van een auto immuun ziekte die Systemic Lupus Erythematosis (SLE) wordt genoemd. Deze bevindingen vormen overigens een van de belangrijke bewijsstukken dat bepaalde gevallen van auto-immuun ziekten het gevolg kunnen zijn van niet goed werkende apoptose. Overigens werd in de lpr muizen een groot aantal niet functionele pre-B en pre-T cellen gevonden. Dit suggereert dat APO-1 ook betrokken is bij de opruiming van niet werkende cellen en dus overbodige cellen.

Een laatste belangrijke bevinding omtrend APO-1 is de rol die opgeloste (dus niet membraan gebonden) APO-1 lijkt te spelen in de apoptose regulatie. Het is ontdekt dat bij een aantal patiënten met de ziekte SLE de opgeloste APO-1 concentratie beduidend hoger is in vergelijking met de gezonde mensen. Opgelost APO-1 bindt net als membraangebonden APO-1 aan de APO-1 ligant. Door de hogere opgeloste concentratie zal echter relatief minder membraan APO-1 binden aan het ligant waardoor minder snel een apoptose signaal wordt doorgegeven. Dit lijkt te resulteren in auto-reactieve cellen en SLE.

Het tweede molecuul dat betrokken is bij apoptose is een eiwit dat p53 wordt genoemd. p53 lijkt een belanrijke rol te spelen bij straling geinduceerde apoptose. Cellen verkregen uit normale weefselkweek bleken na bestraling spontane apoptose te vertonen. Mutant cellen die het p53 eiwit niet meer tot expressie brengen blijven echter na bestraling doorgroeien. Dit wijst er dus op dat p53 een noodzakelijk eiwit is voor de signalering die apoptose tot gevolg heeft.

In tegenstelling tot p53 zijn er ook eiwitten gevonden die een rol spelen bij de remming van apoptose. In eerste instantie werd het BCL-2 genproduct ontdekt. Na verder onderzoek bleek echter dat niet alleen dit eiwit van belang was, maar het ratio van het aanwezige BCL-2 ten opzichte van een ander eiwit. Dit tweede eiwit wordt Bax genoemd.

tot slot is gebleken dat een aantal andere reeds bekende eiwitten een rol speelt in apoptose signalering. Er lijkt hier echter iets opmerkelijks aan de hand te zijn. De groep van eiwitten was namelijk al bekend vanwege hun functie in cel activatie signalering, en dat is nu net het tegenovergestelde van apoptose! Het blijkt dat de volledige signalerings route die normaal tot activatie leidt, onder bepaalde omstandigheden in apoptose kan resulteren. De preciese fijnregulatie hiervan moet nog uitgezocht worden. Wel is duidelijk dat co-stimulatie door middel van cytokines (een soort hormonen) een belangrijke rol speelt in dit proces. Zonder cytokines zou apoptose optreden terwijl met cytokines cel activatie het resultaat zou zijn. Eiwitten die betrokken zijn in de signalering van zowel apoptose als cel activatie zijn de T-cel receptor, een eiwit genaamd Nur77 en het proto-oncogen c-myc (dat bij bepaalde mutaties kanker kan veroorzaken).

Figuur 1: Het complement systeem heeft drie manieren om ziekte verwekkers aan te vallen.: opsonisatie, chemotaxis en lysis. Opsonisatie is het proces waarbij complement aan de buitenkant van de ziekte verwekker bindt.Hierdoor kan de ziekteverwekker makkelijker gefagocyteerd worden. Chemotaxis is het aantrekken van fagocyterende cellen. Complement kan in bepaalde gevallen ook de celwand van de ziekte verwekker kapot (doorlaatbaar) maken.

 

Figuur 2: De structuur van een antilichaam

 

Figuur 3: Samenwerking tussen de Antigeen Presenterende Cel (APC), T-helper cel en de B-cel die resulteert in een antilichaam productie. De APC presenteert het antigen aan de T-helper en B cel, de T-helper cel geeft een co-stimulatoir signaal waardoor de B-cel geactiveerd raakt en antilichamen gaat maken.

 

Figuur 4: Clonale selectie. Van verschillende pre-B cellen groei die pre-B cel uit die antilichamen kan maken tegen de betreffende ziekteverwekker.

 

Figuur 5: Overzicht van eiwitten die betrokken zijn in de apoptose signalering.